Vruchtwisseling wordt vaak toegepast op plukboerderijen maar is ook sterk aan te bevelen in je eigen groentetuin en kas.
Door gewassen te roteren benut je de vruchtbaarheid van de bodem beter en verklein je het risico dat bodem gebonden ziekten en plagen zich opbouwen en een probleem worden.
Het gevolg van vruchtwisseling is dat elk gewas slecht éénmaal op dezelfde plaats geteeld wordt in de loop van verschillende jaren. Het aantal jaren dat tussen twee dezelfde teelten moet worden gelaten, is afhankelijk van de plantensoorten.
Wat is een teeltplan?
Een teeltplan is een plattegrond van je moestuin waarop je vastlegt waar elk gewas gezaaid of geplant wordt. Je bepaalt vooraf welke groenten je wil telen en in welke hoeveelheid. Dat hangt vooral af van je eetgewoonten en wat jij en je gezin graag eten.
Probeer te vermijden dat alles tegelijk oogstklaar is. Door bepaalde gewassen in kleinere hoeveelheden te zaaien en om de paar weken te herhalen (bijvoorbeeld sla, pluksla, rucola, bonen en peulen), verleng je je oogstperiode.
Een teeltplan groeit met je mee. De eerste jaren zal je het blijven bijsturen: je leert hoe lang bepaalde teelten duren, welke percelen geschikt zijn voor een nateelt en welke combinaties voor jou het best werken. Na verloop van tijd ontdek je ook welke groenten je vaker of net minder wil telen.

Combinatieteelt Eden project Cornwell
Belangrijke aandachtspunten bij het plannen
Bij het maken van een teeltplan houd je best rekening met volgende factoren:
Stem je teelten af op de bodem
Niet elke groente voelt zich goed in elke bodemsoort.
- Asperges houden niet van zware leemgrond
- Veel koolsoorten doen het minder op zandgrond
- Wortelen groeien slecht op zwaar bemeste grond
Houd rekening met lange teelten
Sommige groenten blijven het hele seizoen op dezelfde plaats staan, waardoor nateelt niet mogelijk is. Denk aan: tomaten, paprika, kolen, prei, selder, courgette en pompoen. Voorteelt van bladgewassen kan wel.
Gebruik bladgewassen flexibel
Bladgewassen (sla, spinazie, rucola, andijvie…) kan je makkelijk als voor- of nateelt tussen andere gewassen zetten. Ze hoeven niet op een apart perceel te staan en zijn qua bemesting vrij soepel.
Als voorteelt van selder kan je sla of spinazie zaaien. Of sla kan je tussen ui en sjalot planten.
Vermijd te grote monoculturen
Zet niet een te groot deel van je tuin vol met één gewas. Een derde van je moestuin met aardappelen lijkt handig, maar verstoort je vruchtwisseling. Beter wat minder telen van een soort die je veel gebruikt en aanvullen met aangekochte groenten.
Doorlevende gewassen slim planten
Vaste kruiden en doorlevende planten (zoals kervel of bieslook) zet je best aan de rand van de moestuin, zodat ze de rotatie niet verstoren.
Aardbeien blijven twee tot drie jaar op hetzelfde perceel staan: hou hier rekening mee in je planning.
Ken de plantenfamilies
Groenten uit dezelfde familie mogen niet te snel na elkaar op hetzelfde perceel komen. Voorbeeld: tomaat, paprika en aubergine (nachtschadefamilie) zijn zware eters en plant je niet na elkaar. Ook ui, prei, sjalot en look behoren tot dezelfde familie en zet je best niet na elkaar.
Peulgewassen (bonen, erwten) binden stikstof en hebben net weinig bemesting nodig.
Door hiermee rekening te houden, vermijd je ziektes en put je je bodem minder uit.
Combinatieteelt met gezond verstand
Sommige combinaties werken goed (bijvoorbeeld wortel met ui), temeer omdat hun meststofbehoefte overeenkomt.
Wanneer gewassen een sterk verschillende voedingsbehoefte hebben, houd je hiermee in eerste instantie rekening. Werk je vooral met compost of wormenaarde, dan kan je gemakkelijk plaatselijk bijsturen en het ene bemesten en het andere niet bemesten.
Selder kan goed in combinatie met prei of kool. Deze combinatieteelt helpt tegen bladvlekkenziekte op selder.
Denk aan zon en schaduw
Plaats hoge gewassen (maïs, stokbonen, peulen) zo dat ze geen zonlicht wegnemen van lagere teelten.
Omgekeerd kan je schaduwminnende planten in de zomer net laten profiteren van wat beschutting.
Vruchtwisseling: wat liever niet na elkaar komt
Vermijd volgende opeenvolgingen:
- Geen enkel gewas na zichzelf
- Ui en prei niet na elkaar: schimmels van prei kunnen overleven op ui.
- Erwt en boon niet na elkaar
- Zaai geen bonen na knolselder of witloof
- Zet geen wortel na aardappel
- Zet geen schorseneer na of naast erwten
- Geen schermbloemigen zoals pastinaak en knolvenkel na of voor wortelen
- Witloof is het moeilijkste te combineren. Je plant dit best na prei of aardbeien. Witloof verdraagt geen vers mest.
Groenten uit dezelfde plantenfamilie mogen elkaar niet opvolgen. Bij kolen is dit extra belangrijk vanwege het risico op knolvoet. Bij besmetting kan je tot 7 jaar lang geen kolen meer telen op dat perceel.
Wachttijden tussen teelten
- Standaard wachttijd: minstens 4 jaar
- Bladgewassen: kortere wachttijd mogelijk
- Erwten, uien, knoflook, sjalot en kolen: bij voorkeur 6 jaar
Respecteer je deze wachttijden niet, dan ontstaan vaak na enkele jaren problemen. Preventief plannen loont dus op lange termijn.
Rekening houden met de meststofbehoefte van de planten
Grofweg kan je gewassen indelen in:
- Zware eters: kolen, prei, spinazie
- Middelmatige eters: tomaat, paprika, aubergine, courgette, pompoen, maïs
- Lichte eters: wortel, aardappel, rode biet, pastinaak
- Stikstofbinders: bonen en erwten
Combineer geen zware eters met lichte eters op hetzelfde perceel.

Zo maak je een concreet teeltplan
Verdeel je moestuin in een aantal percelen van dezelfde grootte. Dit is zeer belangrijk om elk jaar hetzelfde teeltschema te kunnen gebruiken. Het minimum aantal percelen is zes.
Meer percelen is nog beter omdat je dan de mogelijkheid hebt om meer dan één perceel per hoofdgewas te voorzien. Bijvoorbeeld: 2 percelen aardappelen met 4 jaren tussen.
Kies je hoofdgewasgroenten. Er zijn 7 hoofgroepen: koolgewassen, vruchtgewassen, aardbeien, aardappels, wortelgewassen, peulgewassen en bladgewassen.
Bladgewassen kunnen flexibel tussen andere teelten staan.
- Als je gewassen samen voegt, houd je rekening met de voedingsbehoefte van de groenteplanten. Combineer geen lichte eters met zware eters zoals bijvoorbeeld erwten met tomaten of pompoenen.
Vervolgens verdeel je de gewasgroepen op de percelen die je hebt, rekening houdend met de teelten die elkaar niet mogen opvolgen.
Zoals reeds aangehaald, kan je bladgewassen als voor- of nateelt zetten op alle percelen.
Hoofdgewassen waar geen voor- of nateelt mogelijk is, zijn: winterwortel, witloof, knolselder, pastinaak, schorseneer, rode biet en late aardappelen omdat deze lang in de grond moeten staan om te groeien.
- Plan aardbeien apart. Aardbeien worden in het najaar geplant, dit kan na een aardappelteelt. Ze blijven vervolgens nog twee jaar op hetzelfde perceel staan.
Ook in de kas moet de vruchtwisseling zoveel als mogelijk gerespecteerd worden. In een kas worden meestal tomaten, paprika, komkommer, aubergine als hoofdgewas geteeld. Ze zijn allen van dezelfde familie dus volledige rotatie is moeilijk, maar probeer dezelfde teelt toch minstens 2 à 3 jaar niet te herhalen op exact dezelfde plek.
Als voor- en nateelt kunnen bladgewassen (zoals spinazie, rucola, sla, snijsla en veldsla), bonen, broccoli en bloemkolen geteeld worden.
Lees de volledige biologische moestuinieren gids in pdf

Lees de volledige biologisch tuinieren gids
Inleiding biologische tuinieren 1) Voordelen Biologische tuinieren 2) Planning en ontwerp van de tuin 3) Ken je tuingrond 4) Maak van composteren een succesverhaal! 5) Zaden oogsten, drogen en zaaien 6) Het verschil tussen soorten meststoffen: Organische mest, kunstmest en plantaardige mest 7) Het probleem van pesticide gebruik 8) Seizoensgebonden verzorging 9) Vruchtwisseling, een must voor elke moestuin en kas 10) Oogsten en oogst bewaren